Het gat der gaten

De villa aan de Ootmarsumsestraat in Almelo waar dichter J.C. Bloem vanaf 1915 enkele jaren heeft gewoond.

Eigen lof stinkt,
Vriendenlof hinkt,
Vreemdenlof blinkt.

Deze regels van de dichter Guido Gezelle heeft Hardenberg zich goed ter harte genomen, met name de eerste regel. Om elke schijn van eigen lof tegen te gaan, is men zelfs naar de andere kant doorgeslagen. In verscheidene publicaties (o.a. in het boek Stap voor stap langs de Vecht, blz. 115) wordt gesuggereerd dat Hardenberg zo onaantrekkelijk was, dat de dichter J.C. Bloem, wiens vader burgemeester van Hardenberg is geweest, het Vechtstadje betitelde als ‘gat der gaten’. Nooit staat er evenwel bij vermeld hoe men aan deze wijsheid komt. Dagblad Tubantia, de NRC, Trouwe en de Twentsche Courant geven het antwoord: Bloem heeft dit nooit over Hardenberg geschreven. In een brief aan zijn vriend Jan Greshoff heeft hij wel geschreven over ‘der gaten gatst’, maar daarmee bedoelde hij… Almelo!

Levend begraven
Dat bovengenoemd misverstand is ontstaan, heeft wellicht te maken met de relatie tussen Hardenberg en de moeder van Jacques Bloem.
Zijn vader, J.W.A. Bloem, was namelijk van 1914 tot 1922 burgemeester van Stad Hardenberg. Op dringend verzoek van zijn vrouw, die niet levend begraven wilde worden in Hardenberg, betrok de familie een woning in Almelo, als een soort van compromis. Zoon Jacques reisde eerst bijna dagelijks per trein naar Utrecht, waar hij rechten studeerde. Op 29-jarige leeftijd beëindigde hij deze studie en hij moest toen definitief uitwijken naar Almelo omdat hij zonder werk zat en bovendien herstellende was van een ernstige pleuritis.

De industriestad kon hem echter niet bekoren. In veel brieven aan vrienden en kennissen liet hij dat blijken. Zoals hierboven vermeld schreef hij aan Greshoff over ‘der gaten gatst’ en aan de schrijver Aart van der Leeuw liet hij weten: “Ik kan het hier niet uithouden, hoe dolveel ik ook van mijn ouders houd. Almeloo brengt mij in een toestand van manische depressie.” En in een andere brief schreef hij dat hij Almelo uitsluitend beschouwde als een ballingsoord.

Hardenberg komt er bij de dichter dus niet zo slecht van af als altijd wordt beweerd. Toch was het nou ook weer niet zo dat Bloems gemoed vol schoot van ontroering als hij aan Hardenberg dacht. Want toen zijn vader in 1922 stierf in een kliniek in Utrecht, kon Jacques Bloem het burgemeestersambt van Stad Hardenberg overnemen. Hij weigerde echter. Ondanks dat hij aanvankelijk aan Van der Leeuw schreef dat een burgemeesters- of secretarisfunctie in het oosten hem wel wat leek (hij zou dan veel tijd hebben om zich aan zijn literatuurhobby te wijden), moest hij daar later niks meer van hebben.